Een cordelette is een gesloten lus van dunne cord (6–7 mm), meestal 5–7 meter lang voor het opzetten van een geëqualiseerde standplaats met meerdere ankerpunten. Aan de uiteinden gesloten met een Dubbele vissersknoop (double fisherman’s). Gebruikt voor multi-pitch standplaatsbouw en als algemene reservecord voor zelfreddingstechnieken.

Rode cordelette in gebruik op een rotsstandplaats: meerdere strengen lopen vanaf twee ankerbouten omlaag naar een centraal knooppunt.

Snel

  • Gesloten lus uit 6–7 m nylon cord van 6–7 mm
  • Aan elkaar geknoopt met Dubbele vissersknoop (Double fisherman’s)
  • Voor standplaatsequalisering, en als reserve in zelfredding
  • Nylon (standaard) of Dyneema/Spectra (lichter, gladder, niche)

Materiaalkeuze

  • Nyloncord (Perlon): standaardkeuze. Soepel, hoog smeltpunt, vergeeflijk in Prusikknoop en Franse prusik (Autoblock). Diameter 6–7 mm.
  • High-tech cord (Tech cord / PowerCord): dunner en sterker bij gelijke diameter. Let op het kernmateriaal: pure Dyneema/Spectra (UHMWPE) is glad én smelt laag (~144 °C, 135 °C voorzichtig) → meer wikkelingen nodig in klemknopen. De meeste commerciële tech-cords (bijv. Sterling PowerCord) hebben juist een aramide kern (Technora) met een hoog smeltpunt — sterk, maar duurder en stug. Niche; voor lichte alpine-rigging, niet de standaard sportkeuze.

Lengtes

Een cordelette is een gesloten lus: de lus-omtrek is ongeveer gelijk aan de cordlengte (min de knoop). De bruikbare “diepte” tot het centrale punt is daarvan ongeveer de helft.

  • ~4 m cord (lus-omtrek ~4 m): compact, voor een standplaats met twee ankerpunten die dicht bij elkaar zitten. Te kort als de punten ver uit elkaar liggen (hoek wordt te groot).
  • 6–7 m cord (lus-omtrek 6–7 m): standaard. Voldoende voor de meeste sport- en multi-pitch standplaatsen en houdbare hoeken.
  • Langer: voor brede standplaatsen, drie ankerpunten ver uit elkaar, of zelfreddingstoepassingen.

Procedure: standplaats opzetten met de cordelette

Dit is de klassieke cordelette-methode (John Long): één gesloten lus die je in elk ankerpunt clipt en onderaan samenknoopt tot één centraal punt.

  1. Ankerpunten identificeren — bij een sportstandplaats meestal twee bouten; soms drie punten.

  2. Eén Dubbele achtknoop of Overhandse knoop in lus leggen in alle omlaag getrokken lussen samen — dit wordt het Centraal punt (master point). Laat een lus van ~10 cm over voor de karabiners.

  3. Schroefkarabiner in het centrale punt clippen voor het zekeringsapparaat en voor jezelf.

Houd de hoek tussen de buitenste benen klein. Tot 60° is ideaal (elk punt ~58% van de last); 90° is de praktische bovengrens (~71% per punt); bij 120° krijgt elk punt al 100% van de last (geen verdeling meer). Punten ver uit elkaar? Gebruik een langere cordelette of verleng een punt met een Bandlus om de hoek te verkleinen.

Gebruik in zelfredding

  • Prusikknoop loop: snijd een kort stuk (~1,5 m) cord van een tweede cordelette of separaat cordstuk, sluit met Dubbele vissersknoop. Resulteert in een 60–80 cm gesloten lus voor klemknopen.
  • Franse prusik (Autoblock) loop: vergelijkbaar — ~60 cm cordlus voor abseil-achterzekering.
  • Verlengen of richten: gewone cordstrengen voor improvisaties tijdens zelfredding.

Veelgemaakte fouten

  • Verkeerd diameter cord voor de toepassing. 7 mm voor algemene standplaatscordelette; 6 mm voor prusiklussen waar je op een 9–10 mm touw klemt (cord ~60–70% van touwdiameter). Cord even dik als het touw = klemknoop glipt.
  • Dyneema cord in klemknoop zonder extra wikkelingen. Dyneema is gladder en smelt sneller. Voor klemknopen: 4–5 wikkelingen i.p.v. 3, of houd je aan nylon.
  • Krachtverdeling verloren. Trek je de lussen niet in de richting van de verwachte belasting omlaag (stap 3), dan komen de benen niet tegelijk strak en krijgt één ankerpunt meer last. Trek altijd richting de verwachte belasting.
  • Hoek te groot. Ankers ver uit elkaar zonder de hoek te verkleinen → boven 90° loopt de last per punt hard op, bij 120° draagt elk punt al de volle last. Langere cordelette of een punt verlengen.
  • Cordelette over scherpe rand. Vooral onder belasting kan cord doorsnijden. Padden.
  • Cord oververhit na schokbelasting. Visuele check na een serieuze val; vervang bij smelt of verkleuring.
  • Te oude cord. Net als touw heeft cord een levensduur. Zie Afkeurcriteria materiaal.

Varianten

  • Equalette / Quad (Voorgespannen standplaats (Quad)): cordelette voorgeknoopt in een specifieke configuratie voor sneller opzetten van een standplaats met twee ankerpunten en inherente equalisering.
  • Cordelette zonder centraal punt: sommige technieken (sliding X) zonder centraal knooppunt — equaliseert wel maar geeft schokpieken bij ankerfalen. Controversieel; meestal afgeraden.
  • Pre-geknoopte cordelette: sommige klimmers leggen vooraf knopen op specifieke lengtes voor snelle standplaatsbouw.

Zie ook

Bronnen

Tekst

  • Freedom of the Hills, 9e editie, hfst. 10
  • John Long & Bob Gaines, Climbing Anchors (cordelette- en quad-methode, hoek-fysica)
  • VDiff Climbing — Equalize Trad Anchors (vdiffclimbing.com): cordelette met 2/3 benen, centraal punt, hoek-grenzen
  • Alpinesavvy — Cordelettes: General Tips (alpinesavvy.com): standaardlengte ~7 m / 7 mm, lus clippen per punt
  • REI Expert Advice — How to Build Climbing Anchors (rei.com)
  • Petzl & Sterling accessory-cord specs (EN 564): 6 mm ~10 kN, 7 mm ~13 kN (commercieel ~12–14 kN)
  • UHMWPE/Dyneema smeltpunt ~144 °C (135 °C voorzichtig; materiaalspecs, vgl. Bandlus)

Afbeeldingen